Het Grote Gedicht(N)Dominic van den BoogerdHet werk z.t (1993) van de Amsterdamse beeldhouwer Merijn Bolink bestaat uit een ladder. Een gewone houten ladder, op een vervreemdend detail na: een klein gedeelte is eruit gezaagd en vervangen door een opgezette eekhoorn. Het beestje is dusdanig samengeperst dat het de vorm van het verwijderde trapdeel heeft aangenomen. Het uitgezaagde fragment toont dat de eekhoorn in de ladder is gemonteerd, maar toch kun je je moeilijk aan de indruk onttrekken dat de eekhoorn uit de ladder zelf tevoorschijn komt, als een kuikentje dat door de eierschaal breekt. Het is of de ladder het leven schenkt aan een zacht en harig schepseltje. Het maakt dit werk griezelig en komisch tegeli]k. In de animatie van levenloze voorwerpen en de objectivering van het organische leven ligt de suggestieve zeggingskraeht van veel van Bolinks beeldhouwwerken.
Achter dit beeld schuilt een kinderlijke logica, gebaseerd op een reeks intuitieve associaties. De reeks laat zich reconstrueren aan de hand van de idee van de opwaartse beweging: de ladder stelt de mens in staat hoger te reiken dan zijn lichaamslengte toestaat; bomen leveren het hout waar ladders van gemaakt worden; een eekhoorntje verstaat de kunst om razendsnel tegen een boom omboog te klauteren. De keten van associaties voert van ladder naar hout naar boom naar eekhoorn. De sculptuur van Bolink is de onverwachte symbiose van begin en einde van deze reeks. Twee dingen die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben, bevinden zich plotseling in elkaars nabijheid.
Het gebruik van materialen met contrasterende karakteristieken is in de beeldhouwkunst genoegzaam bekend, niet in de laatste plaats door de surrealisten die de ontregelende effecten ervan op de zintuigen tot in het extreme hebben uitgebuit (met Meret Oppenheims met bont gevoerde theekopje als summum van tactiele horror). Het surreele huwelijk van ongelijksoortige materialen is sindsdien een populair procede geworden, om niet te zeggen een maniertje, een truc. Ook Bolink bedient zich van deze methode, en zijn werk zou voorspelbaar en doorzichtig zijn als het niet geworteld was in sterk subjectieve ervaringen die zijn beelden persoonlijk en tot op zekere hoogte ondoorgrondelijk maken.
Bolink maakt sculpturale objecten van handzame afmetingen. Deze beeldhouwwerken zijn gemodelleerd naar en gemaakt van voorwerpen met een vertrouwd en huiselijk karakter die voor hem een persoonlijke waarde vertegenwoordigen: een piano, een kinderwagen, een ladder, een ventilator, een kastje. Het zijn de subjectieve betekenissen waar het Bolink om te doen is; hij zoekt naar 'het wezen der dingen'. Als een chirurg legt hij de voorwerpen op de snijtafel, ontleedt ze tot in bun kleinste onderdelen en stelt uit de verkregen fragmenten een nieuw beeld samen. De kinderwagen bijvoorbeeld (1992) is uiteengerafeld in veertien verschillende soorten materialen, die elk de bouwstof vormen voor even zo vele nieuwe kinderwagentjes. Een is gemaakt van dekzeil en ligt uitgespreid op de vloer, slap en plat alsof het zojuist is overreden. Een ander, gemaakt van rubberen dopjes, is zo klein als een vingerhoed. De kinderwagen heeft zichzelf voortgeplant in een rijke schare van nakomelingen met elk een geheel eigen identiteit.
In zekere zin ontleedt, transplanteert, kloont en ent Bobnk als een bioloog, alsof de voorwerpen organismen zijn die een eigen leven leiden, een 'ziel' hebben. En waarom ook niet? Wie zijn hoofd stoot tegen een deur, wordt in een kortstondige opwelling kwaad op de deur, alsof die schuld heeft aan de pijn. Psychologen zien in deze ireele reactie een verre echo van de 'primitieve' staat van zijn van het jonge kind, voor wie levende en levenloze dingen in gelijke mate bezield zijn. De sculpturen van Bolink versterken de idee dat het animisme dieper in de mens verankerd ligt dan de rationalisten lief is.
Bij de werken van Bolink is het verleidelijk om te spreken over 'een beeldhouwkunst van de zielsverhuizing'. Z.t. (1993) bestaat uit een vork en een lepel, gesneden uit het vlees van een bleke, grijsroze koeietong en gepresenteerd op sterk water. Naast dit lugubere bestekbakje ligt een tong van zilver dat afkomstig is van omgesmolten bestek. Tong en lepel raken elkaar talloze malen aan, maar hier is het onderscheid tussen de beweeglijke, vochtige spier en het harde, metalen eetgerei volkomen zoek geraakt. In The Third Policeman beschrijft Flann O'Brien een soortgelijke osmose: bij een fietser zal het veelvuldig contact tussen zitvlak en zadel onvermijdelijk leiden tot een vermenging van de moleculen van lichaam en fiets, de fiets wordt steeds menselijker en de mens 'verfietst'.
Dominic van den Boogerd
reageer op dit artikel